Kantoor Binnenvaart, CBRB en Koninklijke Schuttevaer hebben Verkeer en Waterstaat voorgesteld de vaartijd, die benodigd is om vaarbevoegdheid in de binnenvaart te verkrijgen, aanzienlijk te verkorten. Op grond van een EU-richtlijn is verkorting van de vereiste vaartijd met maximaal drie jaar mogelijk. Door invoering van een praktijkexamen en handhaving van de theoretische opleiding is de veiligheid niet in het geding. De versoepeling van de vaartijdeis moet helpen voldoende gekwalificeerd personeel te krijgen.
Uit een onderzoek naar de positie van het kleine schip in de binnenvaart is gebleken dat de eis van vier jaar vaartijd een struikelblok vormt voor met name zij-instromers uit bijvoorbeeld de zeevaart en niet-watergerelateerde sectoren. Maar tevens heeft de binnenvaart nieuwe ondernemers hard nodig voor haar voortbestaan.
EU-richtlijn 96/50/EG maakt het mogelijk de vaartijdeis met maximaal drie jaar te verkorten. Voorwaarde is onder meer wel, dat de aanvrager een praktijkexamen heeft afgelegd voor het besturen van een vaartuig. Het af te geven vaarbewijs is dan alleen geldig voor vaartuigen waarvan de vaareigenschappen vergelijkbaar zijn met die van het schip waarvoor het praktijkexamen werd afgelegd.
De binnenvaartorganisaties willen dat Nederland in de nog in te voeren Binnenvaartregeling niet afwijkt van deze EU-richtlijn. De harmonisatie en erkenning van vaarbewijzen in de EU, voortschrijdend inzicht ten aanzien van praktijkexamens en de aansluiting op het huidige competentiegerichte onderwijs vormen voldoende argumenten om deze nieuwe weg in te slaan.
In het algemeen overleg over de Binnenvaartregeling bleek staatssecretaris Huizinga open te staan voor de argumenten van de organisaties.